Hierna zou het leven beginnen (Het Parool)

Hierna zou het leven beginnen

TEKST KIM VAN DER MEULEN

Nog één keer op vakantie, voordat ze zou gaan studeren. Met dat idee vertrok Roos Prins (18) uit Amstelveen naar Afrika, waar een aanrijding een einde maakte aan haar leven – dinsdag een jaar geleden. ‘Nederland vond ze te klein.’

Op haar iPhone laat Eveline Brunklaus (51) de laatste foto zien die ze van haar dochter Roos maakte: een vrolijke lach vanonder een bos donkere krullen, vlak voor de paspoortcontrole op Schiphol. “Ze had net eindexamen gedaan op het St. Ignatiusgymnasium en zou met haar tante bij familie in Zimbabwe verblijven om daar vrijwilligerswerk te doen, om vervolgens met een jongerenorganisatie door Zuid-Afrika te trekken. Het moest een bijzondere reis worden, zei ze: het was de allerlaatste zomer vakantie van haar leven.”
Roos doelde op een nieuwe levensfase, waarin ze zou studeren aan het Amsterdam University College – en hopelijk tussendoor nog in het buitenland – om uiteindelijk een journalistieke carrière te beginnen. Dat haar woorden werkelijkheid zouden worden, had niemand kunnen voorzien.
“Nederland vond ze te klein,” zegt Jeroen Prins (50) in de woning waar zijn dochter sinds haar zevende woonde, toen het gezin Amsterdam-Zuid verruilde voor Amstelveen. Roos was een eigenzinnig, serieus, ambitieus en leergierig kind, vertelt hij. Ze had veel vriendinnen, was actief bij hockeyvereniging HIC, schreef voor de jongerensite van Eye en maakte haar huiswerk zo ijverig dat haar ouders haar soms een halt toe moesten roepen. Ook haar reis had ze goed voorbereid.
“De organisatie waarmee ze zou reizen, BazBus, is in Zuid-Afrika echt een begrip en goed te vertrouwen.” Na het afscheid op Schiphol vertrokken Roos’ ouders naar Normandië om vakantie te vieren. Daar waren ze nog geen week toen ze een telefoontje kregen uit Zuid-Afrika: het busje waarin Roos zat was van achteren geramd door een overladen taxibus. Van de tien inzittenden was zij de enige zwaargewonde.
Prins: “Ze had precies op de verkeerde plek gezeten, helemaal achterin. We hoorden alleen dat ze aan haar hoofd gewond was en in kritieke toestand verkeerde. Terwijl we ’s nachts naar huis reden om vanaf daar een vliegtuig naar Johannesburg te pakken, hebben we heel wat gebeld – met de reisverzekering, KLM en de privékliniek in de stad Nelspruit, waar Roos lag en inmiddels geopereerd was.”

Surrealistisch
“We waren wanhopig,” zegt Brunklaus. “Als je hoort dat je dochter in het ziekenhuis ligt, denk je aan een gebroken been. Maar naarmate we meer informatie kregen, werd het steeds erger. Ik snapte het niet: de dag ervoor had ik haar nog aan de telefoon gehad.” Roos was bestolen en vroeg of haar moeder haar pinpas snel wilde blokkeren. “Achteraf ben ik die dief dankbaar, omdat ik haar daardoor nog gesproken heb.”
De vlucht naar Johannesburg, gevolgd door een nachtelijke dollemansrit naar het ziekenhuis, beleefde het echtpaar tussen hoop en vrees. Prins: “Er gaat van alles door je hoofd: gaat ze dood, moet ze straks gehandicapt door het leven? Maar toen we Roos zagen liggen, aan allerlei slangen en piepende apparaten, hadden we allebei heel sterk het gevoel: dit komt niet meer goed.”
Een arts bevestigde dat gevoel de volgende ochtend: Roos was hersendood. Na tweeënhalve dag aan haar bed besloten Prins en Brunklaus de behandeling te stoppen. “Een afschuwelijke beslissing, maar we moesten de realiteit onder ogen zien,” vertelt Prins. “Ze reageerde nergens op en haar hersenen gaven geen signalen door.” De uren daarna werd er geslapen, gehuild, gegeten en geregeld. “Terwijl de politie haar lichaam onderzocht – dat is gebruikelijk bij een onnatuurlijke doodsoorzaak – hebben we familie en vrienden geappt dat ze was overleden,” zegt Brunklaus. “Heel surrealistisch, maar we wilden dat zo veel mogelijk mensen in onze omgeving ervan wisten als we zouden terugkomen uit Zuid-Afrika.”
In Amsterdam werd een dienst voor Roos georganiseerd, in de aula van de middelbare school waarvan ze net afscheid had genomen. Prins: “We hebben veel steun gehad aan elkaar, onze familie, vrienden en collega’s. Bij de dienst wilde iedereen helpen: mijn broer heeft foto’s en muziek verzorgd, Evelines hockeyteam heeft drankjes uitgedeeld, een vriend leidde de dienst. Dat gaf een warm gevoel. Er werden veel mooie dingen over haar gezegd.”

Positief ingesteld
Een jaar later. De ouders van Roos maken zich klaar om op vakantie te gaan. “We zijn al best vaak weg geweest; de eerste keer al een maand na de begrafenis,” vertelt Brunklaus. Op advies van de begrafenisondernemer. “Hier blijven in die periode was geen optie. Dat zou alleen maar extra confronterend zijn geweest: iedereen op vakantie en wij hier met ons verdriet.” Prins vond het raar om weer in het vliegtuig en de auto plaats te nemen. “Je weet dat de kans klein is dat je iets in het verkeer overkomt, maar dat gold ook voor Roos. Dat speelde natuurlijk wel door ons hoofd, maar we willen ons leven daar niet door laten verpesten.”
“We zijn over het algemeen positief ingestelde mensen,” zegt Brunklaus. “Dat was Roos ook. Mensen zeggen dat het zo knap is hoe we ons leven hebben opgepakt, maar we doen ook maar wat. Ieder doet het op zijn eigen manier. We hebben geprobeerd min of meer met ons leven door te gaan, al is het ontzettend veranderd. Alles wat je doet herinnert je aan haar.”
“We zijn op zoek gegaan naar normaliteit. Mijn leerlingen – ik werk als docent Frans – wisten wel wat er gebeurd was, maar na een dag voorzichtig doen hadden ze het er niet meer over. Fijn, want je denkt er al genoeg aan.” Haar echtgenoot knikt. “Het is fijn als mensen je af en toe vragen hoe het gaat, maar op je werk wil je je niet voortdurend de ouder zonder kind voelen. Iets waar trouwens geen woord voor is. Zo groot is het taboe blijkbaar.”
“Vorig jaar vroegen we ons af hoe we met ons verdriet zouden omgaan. Zouden we wegzakken in een depressie of ziek worden, zouden wij of onze relatie veranderen? Gelukkig zaten we op één lijn: we wilden veel contact hebben met anderen, veel over Roos praten, actief zijn en af en toe de tijd nemen om thuis te zijn en alleen te voelen hoe leeg het is.”
“Soms, als mensen die we niet kennen vragen of we kinderen hebben, worden we met onze neus op de feiten gedrukt: er komen geen nieuwe herinneringen bij. Maar ze blijft altijd deel van ons uitmaken. Ik probeer het positieve van haar voor de geest te halen. Hoeveel lef ze had, haar humor, haar liefde voor film en muziek, haar interesse in het leven.”
“We hadden een heel goede band; ze heeft tegen vriendinnen wel eens gezegd dat ze het idee had dichter bij haar ouders te staan dan gemiddeld. Dat kan troosten, al zit daar natuurlijk een keerzijde aan: wat erg dat we daar niet meer van kunnen genieten.”
De foto’s die Roos maakte met fotodagboek-app Room for thought bundelde haar vader in een boekje, en ook de foto’s van die laatste vakantie kwamen bij hen terecht. “Van de week zag ik weer die foto waarop ze uit het hostel vertrekt,” zegt Brunklaus. “Verdomme, dacht ik, nog vier uur te leven en je weet het gewoon niet. Op het moment dat ze het ongeluk kreeg, was ze heel gelukkig. Ze was ergens waar ze graag wilde zijn. Maar ze had meer van het leven willen maken. Het is enorm hard dat ze die kans niet heeft gekregen.”

Het Parool, 25 juli 2015