Interview Mirthe van Doornik (Het Parool)

Schrijver Mirthe van Doornik (41) werkte jarenlang een dag per week in een restaurant. In haar langverwachte tweede roman Een tafel ­bij het raam verwerkte ze – worstelend met long covid – haar fascinatie voor de hectiek en dynamiek van de keuken. ‘Als je je zaakjes niet voor elkaar hebt, ben je fucked.’

Tekst: Kim van der Meulen

Twee jaar lang kon Mirthe van Doornik bijna niet schrijven. Een tafel bij het raam, over een ietwat onaangepaste kok die zich op zijn werk stort om zich niet over zijn bejaarde ouders te hoeven ontfermen, was al in een gevorderd stadium toen ze in 2020 corona kreeg en niet meer herstelde. Haar nieuwe boek werd een ‘moeilijke tweede’. Niet omdat de lat hoog lag na haar succesvolle debuutroman Moeders van anderen, maar omdat ze long covid heeft. “De afgelopen jaren waren een worsteling in het algemeen.”

Bent u meteen gestopt met schrijven toen u ziek werd?
“Nee, ik ging ermee verder omdat ik heel bang was dat alles me zou ontglippen. Ik begon aan mijn boek toen ik nog gezond was en had een voortvarend begin. Maar hoe erg ik mijn best ook deed, ik raakte neurologisch enorm beperkt. Ik leek wel dement; stopte vuile was in de koelkast. En als ik een stukje ging wandelen, kon ik de weg terug niet meer vinden. Dat geheugenverlies was heel zorgelijk en best eng. Ik kon geen normale zin meer schrijven en kon bijna niet meer logisch nadenken. Hersenmist noemen ze dat. Ik schreef rare zinnen en rammelende versies die nergens op sloegen. Soms wist ik niet eens meer waar het verhaal over ging. Op een gegeven moment moest ik het echt wegleggen.”

Hoe is het u gelukt het boek af te maken?
“Het afgelopen jaar ging het steeds iets beter. Toen de hersenmist een beetje optrok, begonnen de nieuwe versies van mijn boek er beter uit te zien. Ze zaten nog steeds vol fouten, maar ze waren logischer. Ik kon weer verbanden zien. Nog steeds hussel ik weleens woorden door elkaar of kom ik ergens niet op. De long covid is niet over. Maar het gaat gelukkig wat beter. Vorig jaar had ik geen interview kunnen geven, dan was het net geweest alsof we een andere taal spraken. Nu gaat dat beter en kan ik ook sneller reageren als er iets wordt gevraagd.”

De hoofdpersoon in uw boek, Alp, is een in zichzelf gekeerde chef-kok van middelbare leeftijd. Hoe kwam u op dat personage?
“Ik heb heel lang in de keuken gewerkt. Toen ik journalistiek ging studeren in Rotterdam, had ik een fascinatie voor eten. Ik zocht een bijbaan met weinig verantwoordelijkheden, waarbij ik even niet met mijn hoofd hoefde te werken. Ik dacht: ik ga als afwasser in mijn favoriete restaurant werken, dan kan ik een beetje leren wat ze daar maken. Ik ben er uiteindelijk zestien jaar blijven werken, een keer per week, tot het restaurant werd verkocht. De stress, de snelheid: het is een absurd toneelstuk dat elke avond opnieuw wordt opgevoerd. Daar wilde ik over schrijven. Over de stress achter de coulissen, de dienstbaarheid van een kok, de erkenning waarnaar iemand zoekt, de eenzaamheid die daarin kan schuilen. Ik ben niet veel literatuur tegengekomen die direct gaat over een keuken en een chef-kok.”

Waarom heeft u die bijbaan zo lang aangehouden?
“Ik werkte met een leuke chef-kok, een vrouw die ontzettend goed was in haar werk. Ik wilde alles van haar leren en zij vond het gezellig dat ik er was. Dat was goed voor haar geest, zei ze. Door haar ben ik zo lang gebleven. Ik ging vrij snel van afwasser naar keukenhulp/souschef. Al is souschef te veel eer hoor, want ik heb helemaal geen talent voor koken. Dat is in die zestien jaar niet verbeterd, haha. Ik moest gewoon haar bevelen opvolgen en snel en netjes werken. Dat kon ik dan weer wel. ’s Middags maakte ik taarten en nagerechten, ’s avonds deed ik de koude kant. Het blijft een opmerkelijke loopbaan. Ik liet ontzettend veel aanbranden, eigenlijk had ze heel weinig aan me.”

U beschrijft gedetailleerd hoe gerechten worden bereid, van het schoonmaken van dorades tot het plukken van een eend. Leerde u dat ook in de praktijk?
“Ja, ik heb voor mijn boek veel recepten gebruikt uit het restaurant, die ik door de jaren heen steeds opnieuw gemaakt zag worden. En ik heb Dedikkevandam van Johannes van Dam herlezen. Hij had ontzettend veel kennis. Zelfs over aardappels kon hij pagina’s lang leuk schrijven. Die eend is in het boek beland omdat we die in het restaurant eens hebben klaargemaakt met Kees Moeliker, bioloog en directeur van het Natuurhistorisch Museum. Hij heeft een wetenschappelijk artikel geschreven over homoseksuele necrofilie onder eenden, waarvoor hij de parodieversie van de Nobelprijs won. Moeliker wilde eend bereiden, dus hebben we dode eenden laten binnenbrengen en geplukt. De gekke, weeïge geur herinner ik me nog goed, ik werd er niet lekker van. Nu vind ik het trouwens onvoorstelbaar dat ik daaraan meedeed, want ik ben alweer een hele tijd vegetariër.”

Hoe kwam een museumdirecteur in de restaurantkeuken terecht?
“De chef en ik nodigden af en toe iemand uit die we interessant of inspirerend vonden. Dan stuurde ik een brief: heb je zin om een middag te komen koken? Veel mensen vonden dat leuk, een keuken heeft toch iets magisch. We hebben gekookt met Paulien Cornelisse, Tinkebell en Micha Wertheim. Met dichter Ester Naomi Perquin hebben we vis gemaakt. Zij vroeg of gasten de gestolde ogen van een vis weleens bedekten met een servet, zoals het nu in mijn boek staat. En Raoul Heertje was erg onhandig. Hij zei: ‘Ik durf het niet te zeggen, maar ik weet eigenlijk helemaal niet hoe je een mes normaal moet vasthouden.’ Heel geestig. Ik had het idee er ooit een interviewboek van te maken, maar dat is er nooit van gekomen.”

U noemt het koksbestaan eenzaam. Waar schuilt die eenzaamheid in?
“Het werk in de keuken gaat de hele dag door, er zijn nauwelijks pauzes en je moet hard werken. Dat kan eenzaam maken. En de tijd is dwingend, want er is maar één gegeven: ’s avonds gaat de wereld schudden en als je je zaakjes niet voor elkaar hebt, ben je gewoon fucked. Al is Alp misschien bewust eenzaam, want hij vlucht in zijn werk. In beide gevallen denk ik dat de keuken een vrij ongezonde plek is. Hopelijk beledig ik nu niet alle koks, maar ik denk dat je uiteindelijk gek wordt als je zoveel tijd doorbrengt in zo’n keuken.”

Uw boek gaat ook over een ouder-kindrelatie: Alp stort zich op zijn werk om niet te hoeven zorgen voor zijn bejaarde ouders.
“Ja, ouders zijn een terugkerend thema in mijn werk, vrees ik. Mijn debuutroman draaide ook om de vraag hoe je om je ouders heen kunt leven. Dat ging over een verslaafde moeder en haar kinderen. Een beetje autobiografisch, want mijn moeder was verslaafd. Alps ouders zijn bejaard, hebben een slecht huwelijk en kunnen wel wat hulp gebruiken – en vragen dat dwingend. Dat dwingende probeert hij te ontlopen, maar hoe? Kan dat überhaupt? Waar houdt het leven van je ouders op en begint dat van jou? In hoeverre ben je elkaar nog iets verschuldigd en moet je komen opdraven als er iets misgaat? Ouders kunnen onbewust veel druk op hun kinderen leggen. Dat gegeven fascineert me.”

Durft u al te denken aan een volgend boek?
“Het is onduidelijk of ik ooit helemaal ga herstellen, want er is weinig bekend over long covid. Om het boek af te krijgen, heb ik mijn hoofd steeds weer geforceerd, dus ik ga eerst proberen iets meer rust te nemen en een beetje aan te rommelen. Ik vind het geweldig dat dit boek er nu is. Twee jaar geleden dacht ik niet dat het ooit nog zou lukken.”

Mirthe van Doornik, Een tafel bij het raamPrometheus, €22,50

Over de auteur
Mirthe van Doornik studeerde journalistiek in Rotterdam en won in 2016 de vakjuryprijs van zowel de NPO Boekenweek Schrijfwedstrijd als de Scheltema Schrijversacademie. Haar debuutroman Moeders van anderen (2018) werd genomineerd voor de Bookspot Literatuurprijs en won de ANV Debutantenprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, een aanmoedigingsprijs voor jong en veelbelovend literair talent. Ze woont sinds 2013 in Amsterdam.


Het Parool, 6 juni 2023